Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen Bernheze 2012

Gegevens van de regeling

OverheidsorganisatieGemeente Bernheze
Officiële naam regelingVerordening onroerende-zaakbelastingen Bernheze 2012
CiteertitelVerordening onroerende-zaakbelastingen Bernheze 2012
Versie2
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Deze regeling regeling vervangt de verordening onroerende-zaakbelastingen Bernheze 2011

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding 01-01-2011
Terugwerkende kracht t/m n.v.t.
Datum uitwerkingtreding n.v.t.
Betreft Nieuwe regeling
Datum ondertekening 16-12-2010
Bron bekendmaking Bernheze
Kenmerk voorstel 2010/
Versie 1 (Deze versie inzien)
Datum inwerkingtreding 01-01-2012
Terugwerkende kracht t/m n.v.t.
Datum uitwerkingtreding n.v.t.
Betreft Nieuwe regeling
Datum ondertekening 15-12-2011
Bron bekendmaking Bernheze
Kenmerk voorstel 2012/
Versie 2

Tekst van de regeling

De raad van de gemeente Bernheze;

gezien het bijbehorende voorstel van burgemeester en wethouders van 29 november 2011;

gelet op de artikelen 220 tot en met 220i van de Gemeentewet;

besluit:

vast te stellen de volgende verordening:
 

Artikel 1. Belastingplicht

  1. Onder de naam “onroerende-zaakbelastingen” worden terzake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:
    a. een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;
    b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.
     

  2. Bij de gebruikersbelasting wordt:
    a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is ge-geven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gege-ven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de belasting als zo-danig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
    b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aan-gemerkt als gebruik door de degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is be-voegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie de zaak ter be-schikking is gesteld.
     

  3. Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zoda-nig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genot-hebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 2. Belastingobject

  1. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.

  2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroe-rende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 3. Maatstaf van heffing

  1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroe-rende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.

  2. Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende za-ken.

Artikel 4. Vrijstellingen

  1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat ar-tikel bedoelde waarde, de waarde van:
    a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasop-standen, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewas-sen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;
    b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a be-doelde grond;
    c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwe-lijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
    d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op voet van de Na-tuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van die wet bedoelde voorwaarden met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;
    e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zand-verstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;
    f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
    g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door orga-nen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzon-dering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
    h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
    i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;
    j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de pu-blieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroe-rende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs;
    k. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanig gebouwde eigendommen – niet zijnde gebouwen – welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri’s, hekken en palen;
    l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
    m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zo-danige onroerende zaken die dienen als woning.
     

  2. De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroe-rende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

  3. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroe-rende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 5. Belastingtarieven

  1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percen-tage bedraagt voor:
    a. de gebruikersbelasting 0,1440%;
    b. bij de eigenarenbelasting:
    1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,0959%;
    2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,1846%.
     

  2. Indien de heffingsmaatstaf beneden € 10.000,00 blijft, wordt geen belasting geheven.

  3. Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op gehele euro’s.

  4. Belastingaanslagen van minder dan € 10,00 worden niet opgelegd.
    Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van de op één aanslagbiljet ve-renigde aanslagen onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
     

Artikel 6. Wijze van heffing

De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.

Artikel 7. Termijnen van betaling

  1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.

  2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt:
    a. ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen onroe-rende-zaakbelastingen en/of andere heffingen meer is dan € 5.000,00 dat de aan-slagen moeten worden betaald in één termijn, welke vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is ver-meld.
     

  3. Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorde-ringswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlij-ke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voorzover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.

  4. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestel-de termijnen.

Artikel 8. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

De ‘Leidraad invordering belastingen gemeente Bernheze’ is van toepassing.

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen.

Artikel 9. Inwerkingtreding en citeertitel

  1. De “Verordening onroerende-zaakbelastingen Bernheze 2011” van 16 december 2010 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  2. De verordening treedt in werking op 1 januari 2012.

  3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012.

  4. Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening onroerende-zaakbelastingen Bern-heze 2012”.

Sluiting

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Bernheze in zijn openbare vergadering van
15 december 2011.

 

DE RAAD VOORNOEMD;
De griffier, De voorzitter,




J.H.M. van den Oever dr. A.J.W. Boelhouwer

Praktische informatie

link naar de tweets van de gemeente Bernheze op www.twitter.com